Financiële begroting

Inleiding

De financiële positie van gemeenten is voor de jaren 2023 tot en met 2025 sterk verbeterd ten opzichte van de begroting van vorig jaar. Dit komt door de toekenning van extra middelen als gevolg van het regeerakkoord. De verwachte hogere uitgaven van het rijk leiden tot een grotere omvang van het gemeentefonds. Daarnaast zijn meer gelden voor de toegenomen kosten van jeugdzorg beschikbaar en is voor die jaren de opschalingskorting bevroren. De opschalingskorting was opgelegd door het rijk met de gedachte, dat het gedwongen fuseren van gemeenten naar 100.000+ gemeenten leidt tot efficiencyvoordelen en kostenbesparing. De verplichte opschaling is inmiddels van tafel, maar de opschalingskorting blijft gehandhaafd. 
Vanaf 2026 verslechtert het financieel perspectief, omdat het kabinet de methodiek van ‘trap op, trap af’ heeft losgelaten. Welke methodiek daarvoor in de plaats komt, is in onderzoek. In 2026 keert ook de opschalingskorting weer terug. Beide maatregelen samen leiden tot een fors lagere uitkering van het gemeentefonds vanaf 2026, dit wordt het ‘financieel ravijn’ genoemd.

Er is nog veel onzekerheid over de gevolgen van de huidige loon- en prijsstijgingen en hoe die zullen doorwerken in de financiën van de gemeente. Ook is het gemeentefonds herijkt en is vanaf 2023 een nieuwe verdeling tussen gemeenten van toepassing die voor gemeente Zoetermeer nadelig uitpakt. Aan de lastenkant groeien de lasten voor jeugdzorg en Wmo. Meerjarig wordt door het rijk rekening gehouden met te nemen maatregelen in de (jeugd-)zorg. Het is nog onzeker of de maatregelen daadwerkelijk leiden tot kostenreductie. 
De VNG heeft het vraagstuk van het ‘financieel ravijn’ bij het kabinet en de Tweede Kamer onder de aandacht gebracht. In hoeverre die signalen tot concrete aanvullende besluiten van het kabinet leiden, is op dit moment nog niet duidelijk. 

In juni jl. heeft het college het Coalitieakkoord ‘Samen doen wat nodig is’ gepresenteerd. Dit is verwerkt in deze programmabegroting. 
Kijkend naar het financieel perspectief is het begrotingssaldo in 2023 licht negatief, in 2024 en 2025 positief en vanaf 2026 bijna € 15 mln. negatief. De provincie als toezichthouder beoordeelt de begroting op structureel en reëel evenwicht. Dat houdt in dat structurele lasten gedekt moeten worden uit structurele baten. Daarbij kijkt de provincie naar het eerste jaar van de begroting, en als dat niet in evenwicht is naar het laatste jaar, dus 2026. Het gepresenteerde tekort vanaf 2026 heeft geen directe gevolgen voor het oordeel van de provincie in het kader van het begrotingstoezicht, omdat het begrotingssaldo de eerste jaren nog positief is.
In de onderstaande tabel is dat saldo weergegeven. Vanaf 2026 is het structureel saldo negatief. We zijn ons daarvan bewust. Gezien de onzekerheden over nog lopende zaken en onduidelijkheid over de maatregelen van het rijk in 2026 kiest de gemeente Zoetermeer ervoor om nu nog geen maatregelen te nemen en de ontwikkelingen af te wachten. Volgend jaar bezien we in hoeverre maatregelen wenselijk zijn.

Van het begrotingssaldo 2023 van € 0,647 mln. (negatief) is € 3,110  mln. (positief) het saldo van structurele baten en lasten. De provincie gebruikt dit getal bij de beoordeling of de begroting 2023 materieel in evenwicht is. 
In het onderdeel Totstandkoming van de begroting wordt het cijfermatig verband tussen de vorige begroting, de Perspectiefnota 2023, het Tweede Tussenbericht 2022 en de Programmabegroting 2023 toegelicht.

Grondslagen

De volgende grondslagen bepalen mede het financiële beeld in de programmabegroting:

  • Ontwikkeling van de aantallen inwoners en woningen
  • Beleid ten aanzien van verwachte ontwikkeling van het loon- en prijspeil
  • Ontwikkeling algemene uitkering
  • Rentepercentages
  • Afschrijvingstermijnen.

Ontwikkeling van de aantallen inwoners en woningen

In deze begroting is voor de berekening van de uitkering van het Gemeentefonds uitgegaan van de aantallen woningen en inwoners zoals opgenomen in onderstaande tabel. 

Tabel ontwikkeling aantal woningen en inwoners

De aantallen inwoners en woningen zijn voor de financiële begroting belangrijke parameters, omdat veel financiële stromen (zoals Algemene uitkering en diverse belastingen) worden berekend aan de hand van deze parameters. De financiële gevolgen van een toename van de woningen (en veranderingen in het aantal inwoners) is voor het begrotingssaldo in principe neutraal. De hogere inkomsten als gevolg van meer woningen/inwoners worden voor maximaal 50% gestort in de Reserve Investeringsfonds en voor 50% ingezet voor hogere kosten van beheer/voorzieningen als gevolg van uitbreiding van het aantal inwoners en het te onderhouden openbaar gebied.

Loon- en prijsstijging

De gevolgen voor loon- en prijsstijging ten opzichte van de begroting 2022 worden als volgt in de programma’s van de begroting 2023 verwerkt.

Prijsstijging 2023
Op basis van de gegevens van het Centraal Plan Bureau (CPB) van maart 2022 wordt voor de lastenkant van de begroting uitgegaan van een prijsmutatie 2023 van 4,8% ten opzichte van de begroting 2022. Dit percentage bestaat uit de inschatting voor 2023 van 2,3% en een correctie van 2,5% over voorgaande jaren. De correctie over voorgaande jaren wordt met name veroorzaakt door de sterk gestegen energieprijzen eind 2021 en begin 2022. Voor de batenkant van de begroting 2023 wordt rekening gehouden met een algemene mutatie van de tarieven van 4,2%. Ook hierin is de stijging van 2022 2,3%.
De correctie op de lasten is gebaseerd op een vergelijking met de bij de besluitvorming in het voorjaar 2021 gehanteerde percentages. De vergelijking met de baten is gebaseerd op de peildatum van de gegevens in het najaar van 2021. Het nu ingeschatte algemeen stijgingspercentage van 4,2% wordt ten behoeve van het tarievenvoorstel van december 2022 in het najaar definitief vastgesteld op basis van de gegevens van de Miljoenennota/Macro economische verkenningen.

Loonstijging 2023
Voor de loonkosten wordt een stijgingspercentage van 3,1% aangehouden ten opzichte van de begroting 2022. Bij de bepaling van het stijgingspercentage is rekening gehouden met de afgesloten CAO die loopt tot 1 januari 2023 en de sociale lasten, zoals deze bekend zijn op 1 januari 2022. Voor de loonkostenontwikkeling in 2023 is in het stijgingspercentage rekening gehouden met een stijging van de loonkosten met 2,0%.
Op de verschillende programma’s stijgen de loonkosten in 2023 met 3,1%.

Loon- en prijsstijging vanaf 2024

Vanaf 2024 wordt op concernniveau voor de ontwikkeling van lonen rekening gehouden met een stijging van 2,0%. Voor de stijging van de overige lasten in de begroting volgen we de raming van het CPB voor het indexcijfer materiele overheidsconsumptie (IMOC) van 2,4% per jaar voor de jaren 2024 en 2025 en 1,9% voor 2026. De hieruit voortvloeiende kostenstijging wordt gedekt uit de stijging van de Algemene Uitkering als gevolg van ontwikkeling van de accressen van het Gemeentefonds.

Ontwikkeling algemene uitkering

De in de begroting verwerkte Algemene uitkering is gebaseerd op de Meicirculaire 2022. Met de eventuele gevolgen uit de Septembercirculaire wordt in de programmabegroting zelf geen rekening gehouden. De budgettaire vertaling ervan wordt betrokken in de volgende perspectiefnota. 
Voor Zoetermeer leverde de Meicirculaire in 2023 een voordeel op van € 5,7 mln. dat in de jaren tot en met 2025 oploopt naar een voordeel van € 12,5 mln. Vanaf 2026 loopt het voordeel terug naar € 1,8 mln. omdat dan de opschalingskorting vervalt en de methodiek van ‘trap op, trap af’ niet meer is toegepast. De omvang van het gemeentefonds volgt de ontwikkeling van de rijksbegroting. Uitgangspunt is dat de accresontwikkeling die opgenomen is in de circulaire ruimte biedt om de kostenontwikkeling die voortkomt uit loon- en prijsstijging op te vangen. Een gedetailleerde toelichting is opgenomen in het Overzicht algemene dekkingsmiddelen (OAD).

Rentepercentages

In onderstaande tabel staan de rentepercentages vermeld waarmee in de begroting 2023 is gerekend.

Afschrijvingstermijnen

Op investeringen wordt afgeschreven. Daardoor worden de investeringsuitgaven in de tijd verdeeld over de gebruiksduur van de investering. De geldende afschrijvingstermijnen zijn opgenomen in bijlage 13. De raad bepaalt afschrijvingstermijnen en legt deze vast in verschillende beleidsnota’s. Ter wille van het overzicht wordt het totaaloverzicht van actuele afschrijvingstermijnen in de begroting opgenomen.

Totstandkoming van de begroting

Tabel 2 toont de cijfermatige vertaling van de diverse momenten in het begrotingsproces. Daarna volgt een toelichting per onderdeel.
In november 2021 is de Programmabegroting 2022-2025 aangeboden aan de raad (regel 1). Hieraan zijn de financiële gevolgen van raadsbesluiten (regel 2), en de meldingen uit het Eerste Tussenbericht (TB1, regel 3) toegevoegd. Dit leidt tot een Financiële vertreksituatie Perspectiefnota 2023 (zie regel 4). In het tweede deel van de tabel is de actualisatie van het financieel perspectief opgenomen vanaf de Perspectiefnota 2023. Deze verschillen worden onder de tabel per onderdeel toegelicht. Na aanpassing is het saldo in 2023 € 0,647 mln. negatief (zie regel 9).

De opgenomen bedragen per jaar vormen het totaal van de in deze Programmabegroting 2023-2026 op programmaniveau opgenomen budgetten (zie de onderdelen Programma’s, Overzicht Overhead en Overzicht Algemene Dekkingsmiddelen).

Afwijkingen op bestaand beleid na peildatum Perspectiefnota 2023

Sinds het uitbrengen van de Perspectiefnota 2023 hebben zich op diverse onderwerpen ontwikkelingen voorgedaan, die leiden tot afwijkingen op het bestaand beleid. Deze afwijkingen zijn opgenomen in het Tweede Tussenbericht 2022. Over de meicirculaire is de raad per raadsmemo geïnformeerd. De overige onderdelen met een meerjarig karakter worden hieronder toegelicht.

1. Inkomsten bouwleges
Voor het afhandelen van WABO-vergunningen worden leges geïnd. Op basis van huidige en verwachte aanvragen schuiven de opbrengsten in de tijd naar 2024.

2. Inschrijving briefadres
Vanaf 1 januari 2022 is de gemeente wettelijk verplicht om iemand in te schrijven op een briefadres. Geen briefadres betekent ook geen uitkering, geen zorgverzekering, geen (schuld)hulpverlening en geen arbeidscontract. De wetswijziging heeft tot gevolg dat het aantal (complexe) aanvragen briefadressen structureel toeneemt. Dit is reeds gemeld in het Eerste Tussenbericht. Om deze wettelijke taak uit te voeren is een permanente formatie-uitbreiding nodig van 1 fte. De kosten bedragen inclusief overhead circa € 107.000 per jaar.

3. Grondzaken
De gemeente heeft grond in haar bezit en voor de exploitatie (regulier beheer, advisering en begeleiding verkopen) is in de programmabegroting een budget opgenomen van ca. € 0,9 mln. aan uitgaven en ca. €1,9 mln. aan inkomsten. De afgelopen twee jaar zijn lagere inkomsten uit huren en pachten gerealiseerd, dit jaar is wederom sprake van een lagere inkomst van totaal € 150.000. Structurele daling is o.a. veroorzaakt door het wegvallen van grondhuur van de niet meer benodigde tijdelijke behuizing van Monteverdi aan de Europaweg.

4. Startersleningen
De gemeente heeft voor specifieke doelgroepen ter stimulering van de woningmarkt van 2007 t/m 2016 startersleningen verstrekt. De ontvangers van deze leningen betalen drie jaar na verstrekking rente en aflossing. Deze verplichtingen zijn vastgelegd in hun individuele overeenkomst en zijn in totaal opgenomen in de begroting. Voor 2022 bedraagt dit voor rente ca. € 230.000. Een deel van de starters lost anders (extra aflossing of juist niet) af (en betaalt rente) dan in hun aflossingsschema staat of heeft een verlenging gekregen van de aflossingsvrije en renteloze periode. Hierdoor ontstaan er faseringsverschillen ten opzichte van het oorspronkelijke contract en de begroting. Dit levert voor 2022 een nadeel op van € 110.000. In de jaren 2023 en verder loopt dit iets verder op.

5. Professionalisering impuls werving en selectie
In de Perspectiefnota 2023 is in overzicht overhead een budget opgenomen voor professionalisering en impuls werving en selectie. De komende twee jaren worden gebruikt om te bezien wat het effect is van deze inspanningen en middelen. Hiervoor is budget benodigd voor 2023 en 2024. In de Perspectiefnota 2023 was jaarschijf 2024 nog niet meegenomen. Het benodigde budget voor 2024 is gelijk aan 2023 en bedraagt, inclusief overhead, € 390.000.

6. Teruggave OZB
Bij het vaststellen van de tarieven 2022 is op basis van de marktontwikkelingen een schatting gemaakt van de waarde-aanpassingen in het onroerend goed. Een waardestijging leidt tot een daling van het tarief; bij een waardedaling volgt een stijging van het tarief. Deze werkwijze leidt ertoe dat de totale opbrengst OZB (exclusief inflatie en exclusief volumeontwikkeling) gelijk blijft. Door de feitelijke waardeontwikkeling zijn de tarieven 2022 hoger dan achteraf bezien noodzakelijk was. Met als gevolg een hogere opbrengst dan begroot: voor woningen een bedrag van € 620.000 en voor de niet woningen € 580.000. Dit voordeel is incidenteel. Bij de tariefberekening voor 2023 wordt rekening gehouden met de afwijkende waardeontwikkeling.

Opbouw financiële begroting

De financiële begroting is opgebouwd uit zeven programma’s, het Overzicht Overhead, het Overzicht algemene dekkingsmiddelen en onvoorzien en de Vennootschapsbelasting (Vpb)
Per programma worden onderscheiden:
•    De lasten
•    De baten 
•    De toevoegingen en onttrekkingen aan reserves
Het saldo van baten en lasten is het exploitatiesaldo. Het eindsaldo, waarin de mutaties van de reserves zijn meegenomen, wordt het ‘geraamd resultaat’ genoemd.
Onderstaande tabel geeft de te autoriseren bedragen voor 2023 weer. In bijlage 12 Overzicht taakvelden is de uitsplitsing voor de jaren 2024, 2025 en 2026 opgenomen.

Totaal raming programmabegroting 2023

Bedragen x €1.000
Totaal raming Begroting 2023
Lasten Baten Stortingen Onttrekkingen Saldo
1. Onderwijs, economie en Arbeidsparticipatie -116.635 65.073 -1.708 3.111 -50.158
2. Samen leven en ondersteunen -116.766 1.618 0 900 -114.248
3. Leefbaarheid, duurzaam en groen -59.609 29.919 0 4.981 -24.709
4. Vrije tijd -29.645 9.650 0 290 -19.705
5. Veiligheid -18.775 891 0 600 -17.284
6. Dienstverlening en participatie -16.869 7.414 0 0 -9.455
7. Inrichting van de stad -27.717 24.234 -4.529 3.743 -4.270
Overzicht overhead -47.629 1.300 -290 176 -46.443
Algemene dekkingsmiddelen en onvoorzien -7.747 293.380 -3.994 4.138 285.777
Heffingsbedrag Vennootschapsbelasting -327 0 0 0 -327

totaaloverzicht op meerjarenbasis

Bedragen x €1.000
Totaal Programma's Begroting 2023 Begroting 2024 Begroting 2025 Begroting 2026
1. Onderwijs, economie en Arbeidsparticipatie
Lasten -116.635 -114.930 -111.824 -111.495
Baten 65.073 63.911 61.467 61.506
Saldo baten en lasten -51.562 -51.019 -50.357 -49.990
Stortingen -1.708 -2.147 -1.537 -2.266
Onttrekkingen 3.111 3.200 2.227 2.188
Saldo reservemutaties 1.403 1.054 689 -78
Totaal 1. Onderwijs, economie en Arbeidsparticipatie -50.158 -49.966 -49.668 -50.068
2. Samen leven en ondersteunen
Lasten -116.766 -113.827 -111.179 -110.884
Baten 1.618 1.602 1.602 1.602
Saldo baten en lasten -115.148 -112.225 -109.577 -109.282
Onttrekkingen 900 248 133 67
Saldo reservemutaties 900 248 133 67
Totaal 2. Samen leven en ondersteunen -114.248 -111.977 -109.444 -109.215
3. Leefbaarheid, duurzaam en groen
Lasten -59.609 -56.961 -56.513 -56.563
Baten 29.919 29.419 29.332 29.332
Saldo baten en lasten -29.689 -27.542 -27.181 -27.231
Onttrekkingen 4.981 2.520 2.520 2.520
Saldo reservemutaties 4.981 2.520 2.520 2.520
Totaal 3. Leefbaarheid, duurzaam en groen -24.709 -25.022 -24.661 -24.711
4. Vrije tijd
Lasten -29.645 -28.483 -28.466 -29.196
Baten 9.650 9.545 9.543 9.533
Saldo baten en lasten -19.995 -18.938 -18.923 -19.664
Onttrekkingen 290 72 6 6
Saldo reservemutaties 290 72 6 6
Totaal 4. Vrije tijd -19.705 -18.866 -18.917 -19.658
5. Veiligheid
Lasten -18.775 -18.860 -18.833 -18.429
Baten 891 695 695 695
Saldo baten en lasten -17.884 -18.165 -18.137 -17.733
Onttrekkingen 600 600 600 300
Saldo reservemutaties 600 600 600 300
Totaal 5. Veiligheid -17.284 -17.565 -17.537 -17.433
6. Dienstverlening en participatie
Lasten -16.869 -16.851 -16.759 -16.812
Baten 7.414 6.899 5.764 5.764
Saldo baten en lasten -9.455 -9.952 -10.994 -11.048
Totaal 6. Dienstverlening en participatie -9.455 -9.952 -10.994 -11.048
7. Inrichting van de stad
Lasten -27.717 -20.731 -22.613 -14.433
Baten 24.234 21.084 12.566 8.485
Saldo baten en lasten -3.483 353 -10.047 -5.948
Stortingen -4.529 -6.133 -5.968 -802
Onttrekkingen 3.743 1.207 11.114 1.579
Saldo reservemutaties -786 -4.926 5.146 776
Totaal 7. Inrichting van de stad -4.270 -4.573 -4.902 -5.172
Overzicht overhead
Lasten -47.629 -47.573 -46.779 -46.566
Baten 1.300 1.300 1.300 1.300
Saldo baten en lasten -46.329 -46.273 -45.479 -45.266
Stortingen -290 -290 -290 -290
Onttrekkingen 176 130 0 0
Saldo reservemutaties -114 -160 -290 -290
Totaal Overzicht overhead -46.443 -46.433 -45.769 -45.556
Algemene dekkingsmiddelen en onvoorzien
Lasten -7.747 -16.562 -26.086 -35.287
Baten 293.380 309.574 321.364 305.245
Saldo baten en lasten 285.633 293.012 295.278 269.958
Stortingen -3.994 -2.700 -2.846 -1.598
Onttrekkingen 4.138 2.027 2.027 277
Saldo reservemutaties 144 -672 -819 -1.321
Totaal Algemene dekkingsmiddelen en onvoorzien 285.777 292.340 294.459 268.637
Heffingsbedrag Vennootschapsbelasting
Lasten -327 0 -161 -161
Saldo baten en lasten -327 0 -161 -161
Totaal Heffingsbedrag Vennootschapsbelasting -327 0 -161 -161

Incidentele baten en lasten

Inzicht in de incidentele baten en lasten is nodig om te beoordelen of de begroting structureel in evenwicht is, dat wil zeggen dat de structurele lasten worden gedekt door structurele baten. De incidentele baten en lasten blijven voor de bepaling van dat evenwicht buiten beschouwing.

Onder incidentele baten en lasten worden onder andere de volgende posten verstaan:
•    Inkomsten uit grondexploitaties
•    Dotaties en onttrekkingen aan de algemene reserve
•    Incidentele toevoegingen en aanwendingen aan bestemmingsreserves die gevolgen hebben voor het begrotingssaldo
•    Bijzondere baten en lasten ten gevolge van incidenteel nieuw beleid
•    Voordelige en nadelige afwikkelingsverschillen van voorgaande dienstjaren
•    Extra afschrijvingen ten laste van de exploitatie.
Alleen baten en/of lasten van tijdelijk aard en die groter zijn dan € 100.000 worden als incidenteel aangemerkt.

Bovenstaande tabel toont dat in de begroting van 2023 € 3.757.000 meer aan incidentele lasten zijn geraamd dan aan incidentele baten. Dit houdt in dat het begrotingssaldo van 2023 wordt beïnvloed door netto € 3.757.000 aan tijdelijke lasten. Hieronder wordt een nadere toelichting gegeven op de individuele posten die dit saldo veroorzaken. Daarnaast wordt in de laatste alinea ingegaan op het wel of niet structureel en reëel sluitend zijn van de begroting.

Toelichting incidentele baten en lasten

Bij het opstellen van het coalitieakkoord 'Samen doen wat nodig is' heeft het college onderscheid gemaakt tussen tijdelijke, lees: incidentele, uitgaven en structurele budgetten. De incidentele uitgaven en inkomsten uit het coalitieakkoord zijn overeenkomstig in bovenstaande tabel verwerkt.

Programma 1 Onderwijs, economie en Arbeidsparticipatie
In de Perspectiefnota 2021 zijn voor 2021/2024 bedragen opgenomen in verband met bestuurlijke afspraken over laaggeletterdheid met daar tegenover een rijksbijdrage op OAD. Het gaat om € 129.000 per jaar. In de programmabegroting 2021 is een voorstel nieuw beleid opgenomen voor de doorontwikkeling van het Werkbedrijf, € 250.000 voor de jaren 2021/2023. Voor de aanpak van fraude zorgaanbieders is het coalitieakkoord een bedrag gereserveerd van € 107.000 per jaar voor 2023/2025 en voor 2026 €54.000. Voor de actieagenda Economie gaat het om €110.000 per jaar voor vier jaar. Daarnaast is een tweejaarlijkse innovatieprijs in het leven geroepen van €30.000 , dus voor 2023 en 2025. Vanuit het Sociaal Innovatiefonds is voor de uitvoering van deelprojecten in programma 1 € 193.000 beschikbaar. 

Programma 2 Samen leven en ondersteunen
In het vorige coalitieakkoord waren tijdelijke budgetten opgenomen voor de instandhouding van wijkrestaurants en jongerenwerk. De raad heeft besloten om in afwachting van de verkiezingen van afgelopen jaar deze budgetten tijdelijk te verlengen. Voor 2023 gaat het om € 169.000 voor de wijkrestaurants en om € 200.000 voor jongerenwerk. In het nieuwe coalitieakkoord is voor vier jaar € 150.000 beschikbaar voor het vergroten van toegankelijkheid en voor 2023/2025 € 133.000 voor een Woonzorgvisie. In 2026 is daarvoor € 67.000 beschikbaar. De Woonzorgvisie wordt ten laste van het Fonds Zoetermeer 2040 gebracht. Uit het Sociaal Innovatiefonds is voor jeugdvoorzieningen in programma 2 € 767.000 begroot in 2023 en in 2024 € 115.000.

Programma 3 Leefbaarheid, duurzaam en groen
In de Perspectiefnota 2022 is voor ontwikkeling van data en software voor gebruik in het openbaar gebied € 100.000 gereserveerd voor de jaren 2021/2024. In het coalitieakkoord zijn de volgende bedragen beschikbaar in programma 3: Toekomstvisie wijkwinkelcentra, in 2023 en 2024 € 100.000; Bomen, vier jaar €150.000; Afvalmaatregelen, € 120.000 in 2023 en € 90.000 in 2024 en als tijdelijke impuls voor de openbare ruimte, € 1,5 mln. per jaar voor de jaren 2023/2026. De afvalmaatregelen worden gedekt uit de afvalstoffenheffing, de impuls voor de openbare ruimte komt uit Fonds Zoetermeer 2040.  Voor aardgasvrije wijken is een rijksbijdrage ontvangen. Dat bedrag is in de brede bestemmingsreserve gestort. De plannen zijn nader uitgewerkt. Voor 2023 is € 1 mln. beschikbaar gesteld ten laste van de Brede bestemmingsreserve. Voor de uitvoering van het klimaatakkoord is in 2023 € 260.690 geraamd. Ook tegenover deze lasten staat een onttrekking aan de Brede bestemmingsreserve. Begin 2022 is een Duurzaamheidsfonds ingesteld en gevoed met middelen uit het Fonds Zoetermeer 2040 ter grootte van € 7,5 mln. Dit Duurzaamheidsfonds draagt bij aan de ambities uit het programma Duurzaam & Groen Zoetermeer. Voor de diverse deelplannen is in 2023 € 2,2 mln. begroot en voor de jaren 2023/2026 elk jaar € 1.020.000. 

Programma 4 Vrije tijd
Er is nog geen definitief besluit over de huizen van de wijk en hoe de bibliotheek in de plannen past. Om die reden heeft het college besloten het filiaal van de Bieb in Oosterheem nog niet te sluiten en ook de bezuinigingsmaatregel een jaar op te schorten. Totaal is daarvoor in 2023 € 350.000 voor uitgetrokken. Museum de Voorde sluit zijn deuren. Voor frictiekosten is in 2023 € 1,5 mln. beschikbaar gesteld. De reserve Investeringsfonds amateurverenigingen is aangevuld om ook in de komende jaren amateurverenigingen te kunnen steunen bij investeringen. Voor 2023 zijn uitgaven ten laste van dit fonds geraamd voor een bedrag van € 150.000.

Programma 5 Veiligheid
Het tijdelijke budget voor BOA's uit het vorige coalitieakkoord is met een raadsbesluit een jaar verlengd, het gaat om €611.000.  Voor handhaving zijn in het nieuwe coalitieakkoord, naast structurele middelen, ook tijdelijke middelen voor een extra impuls opgenomen. In 2023/2025 6 ton en in 2026 de helft. Deze extra middelen komen ten laste van Fonds Zoetermeer 2040.

Programma 6 Dienstverlening en samenspraak
Door uitstel van de ingangsdatum van de Omgevingswet worden er extra kosten gemaakt in 2023 € 130.000. Dit is in de Perspectiefnota 2022 gemeld. Verder zijn er in het coalitieakkoord zowel voor de raad als voor het college extra middelen toegekend. Het 'potje van de raad' is verhoogd met € 150.000 voor 3 jaar en € 75.000 in 2026. Voor het college gaat het om € 140.000 in de eerste 3 jaar en € 70.000 in 2026. In 2023 is een subsidie voor IPTA ingeboekt.

Programma 7 Inrichting van de stad
De in dit programma geraamde incidentele baten en lasten betreffen de geraamde kosten en opbrengsten in de grondexploitaties. Alhoewel de projecten een meerjarig karakter hebben, worden de in de begroting opgenomen baten en lasten toch als incidenteel beschouwd.

Voor de onderzoek naar de ontsluiting van Rokkeveen en Lange Land is twee jaar € 70.000 beschikbaar, voor de wijkaanpak Meerzicht en Buytenwegh gaat het om € 300.000 in 2023 en € 600.000 in 2024/2026. De gelden voor de wijkaanpak komen uit Fonds Zoetermeer 2040. Ook voor verkeersveiligheid is deze coalitieperiode tijdelijk meer aandacht, € 150.000 voor de eerste drie jaar en de helft daarvan in het laatste jaar. 

Zoetermeer breidt uit in de komende jaren. Voor de uitvoering van de projecten zijn bedragen gereserveerd in de Reserve investeringsfonds 2030. Voor de uitvoering van de diverse deelprojecten zijn, in overeenstemming met eerdere besluitvorming, in deze begroting bedragen opgenomen. Het gaat in 2023 om € 567.000 voor de Binnenstad, voor de Entree € 40.000, voor de Schaalsprong € 1.409.000, voor OV € 120.000 en voor Nieuwe Initiatieven € 860.231. Voor het jaar 2024 is voor de Schaalsprong € 52.000 geraamd. Voor de Binnenstad is in 2025 € 10.175.000 in de begroting verwerkt en in 2026 € 877.142.

Overzicht Overhead
In de Perspectiefnota 2020 is aanvullend voor flankerend beleid een bedrag van € 500.000 toegevoegd voor 2020 en verder tot en met 2023.  In 2023 wordt een proef opgestart met inwonersberaad. Dat kost € 100.000.  Voor datagedreven werk is drie jaar € 80.000 aan budget toegekend.

Overzicht Algemene dekkingsmiddelen en Onvoorzien
Voor 2022/2024 zijn in deze begroting rijksbijdragen opgenomen van € 129.000 per jaar voor de bestuurlijke afspraken over laaggeletterdheid, zie ook programma 1.  Door uitstel van het nieuwe afvalbeleidsplan worden de daaraan gekoppelde meeropbrengsten Ozb niet gerealiseerd. Dit heeft invloed op de jaren  2023, € 225.000 en 2024, € 150.000. 

Overzicht van structurele toevoegingen en onttrekkingen en stortingen aan reserves

Elk jaar wordt ten laste van de exploitatie een bedrag aan de Vrij inzetbare reserve toegevoegd dat is voorgefinancierd ten behoeve van ambtelijke huisvesting uit de Vrij inzetbare reserve en met een jaarlijks vast bedrag wordt 'terugbetaald' van € 290.000. Daarnaast is een reserve ingesteld ter dekking van kapitaallasten. Jaarlijks komt er een bedrag vrij ten gunste van de exploitatie van ca. € 42.000.

Berekening structureel begrotingssaldo

In onderstaande tabel is het saldo van de programmabegroting gecorrigeerd met het saldo van incidentele baten en lasten. Het gecorrigeerde saldo laat de structurele ruimte in de begroting zien op basis van de regelgeving van het Besluit Begroting en Verantwoording (BBV).

Uit deze opstelling blijkt dat de jaarschijf 2023 reëel in evenwicht is: de structurele baten zijn €  € 3,110 mln. hoger dan de structurele lasten. Meerjarig is er nog geen sprake van evenwicht. Bij het komende voorjaarsdebat is naar verwachting meer bekend over de financiën in 2026 en de wijzigingen in de financiële verhouding die het kabinet voor ogen staan.

Investeringen

  

Investeringen met een economisch nut
Investeringen met een economisch nut betreffen vaste activa die verhandelbaar zijn, zoals gebouwen en voertuigen of waar inkomsten tegenover kunnen staan, bijvoorbeeld rioolrecht en leges. Deze investeringen moeten worden geactiveerd en reserves mogen niet op deze investeringen in mindering worden gebracht. Daarnaast mag niet resultaatgericht worden afgeschreven en moet consistent worden afgeschreven. Wel mogen bijdragen van derden, die direct gerelateerd zijn aan de investering, in mindering worden gebracht.

Investeringen in de openbare ruimte met maatschappelijk nut
Om te komen tot meer vergelijkbaarheid schrijft de BBV voor dat investeringen in de openbare ruimte met een maatschappelijk nut (wegen, straten, pleinen, groen, water) gelijk moeten worden behandeld als investeringen met een economisch nut.
Het activeren heeft als gevolg dat de uitgaven in één jaar worden verantwoord, maar dat de lasten in de begroting in het vervolg gespreid worden over de levensduur.
In de begroting zijn investeringen opgenomen die geautoriseerd worden bij vaststelling van de programmabegroting (investeringen die betrekking hebben op 2023). In onderstaande tabel is een samenvattend overzicht opgenomen van de investeringen. In bijlage 6 is een specificatie van deze bedragen opgenomen.


Ontwikkelingen in de reserveposities en voorzieningen

De reserves vormen, samen met het resultaat na bestemming volgend uit de programmarekening, het eigen vermogen (artikel 42, lid 1 BBV). In artikel 43 van het BBV worden twee soorten reserves onderscheiden:
 A.    De algemene reserves
 B.    De bestemmingsreserves
De algemene reserves bestaan uit reserves waaraan geen bestemming is gegeven. Deze dienen om risico’s in algemene zin op te vangen (bufferfunctie van de reserves).
De bestemmingsreserves zijn reserves waaraan de raad diverse bestemmingen heeft gegeven. Deze bestemmingsreserves hebben diverse functies. De meeste bestemmingsreserves zijn in het leven geroepen ter dekking van de lasten van specifieke beleidsonderwerpen (bestedingsfunctie van de reserves). Ook zijn er reserves die baten genereren voor de exploitatie (inkomensfunctie) en reserves die zorgen dat lasten worden geëgaliseerd (egalisatiefunctie).
In Zoetermeer worden investeringen gefinancierd met reserves en voorzieningen. Hierdoor wordt de noodzaak beperkt om te financieren met leningen van de bank (financieringsfunctie van de reserves en voorzieningen).
In onderstaande tabel wordt het verloop van de reserves in totaliteit per onderscheiden soort weergegeven. In bijlage 4 is het overzicht van reserves opgenomen.
De toevoegingen en onttrekkingen bij de jaarschijf 2023 zijn mutaties in de reserves die onderdeel uitmaken van de ramingen, die zijn opgenomen bij de programma’s. Om een zo goed mogelijk beeld over het verloop van de stand van de reserves te geven, zijn ook mutaties meegenomen die niet bij de vaststelling van de programmabegroting door de raad worden geautoriseerd. Deze mutaties zijn in de kolom 'verwachtingen' meegenomen. In een afzonderlijk voorstel aan de raad kunnen deze alsnog worden geautoriseerd.

Het totaal van de algemene reserves neemt in 2023 met € 1,7 mln. af. Deze afname komt grotendeels door de mutaties in de Vrij inzetbare reserve (-/- € 3,4 mln., toegelicht in het volgende onderdeel Ontwikkeling vrije reservemiddelen ) en de Reserve versterking Financiële positie Grondbedrijf
(+ € 2,1 mln.)
Het totaal van de bestemmingsreserves neemt in 2023 met € 10,1 mln. af. De grootste mutaties zijn te vinden bij de reserve Algemeen Dekkingsmiddel (-/- € 2,5 mln.), de Brede Bestemmingsreserve (-/- € 1,3 mln.), de reserve Fonds Zoetermeer 2040 (-/- € 2,8 mln.), de reserve Sociaal Innovatiefonds (-/- € 2,1 mln.) en de reserve Duurzaamheidsfonds Zoetermeer 2040 (-/- € 1,3 mln.). Verder zijn mutaties opgenomen in de Reserve Investeringsfonds 2030 (-/- € 0,2 mln., toegelicht in het volgende onderdeel Ontwikkeling vrije reservemiddelen). 

In de periode 2023–2026 nemen de reserves met circa € 20,0 mln. af.
In onderstaande opsomming zijn de grootste mutaties weergegeven (bedragen x € 1 mln.).

Ontwikkelingen in de voorzieningen

De voorzieningen zijn vermogensbestanddelen die als vreemd vermogen worden aangemerkt. Er kleeft als het ware al een verplichting (jegens een derde) aan. Als gevolg van artikel 44 van het BBV kunnen de volgende soorten voorzieningen worden gevormd: 
- voor middelen van derden die specifiek besteed moeten worden (geldt niet voor bijdragen van andere overheden);
- voor de egalisatie van kosten;
- voor verplichtingen en verliezen alsmede voor risico’s waarvan de omvang onzeker is maar welke wel redelijkerwijs te schatten zijn.
Schulden vallen niet onder het begrip voorzieningen omdat daarbij geen onzekerheid bestaat over de omvang van de verplichting.
Toevoegingen aan voorzieningen vinden plaats ten laste van de exploitatie, dus niet via resultaatbestemming, zoals bij de reserves. Aanwendingen - altijd voor het doel waarvoor de voorziening was gevormd - worden rechtstreeks ten laste van de voorziening gebracht. 
Indien een voorziening geheel of gedeeltelijk kan vrijvallen, wordt de vrijval via de exploitatie in het resultaat verwerkt.
In onderstaande tabel is op hoofdlijnen het verloop van de stand van de voorzieningen weergegeven. Evenals bij de reserves zijn bij het verloop van de voorzieningen verwachtingen meegenomen. Deze zijn opgenomen om een goed verloop van de voorziening weer te geven. De verwachtingen worden niet geautoriseerd bij de vaststelling van de programmabegroting door de raad. De specificatie is opgenomen in bijlage 5 Voorzieningen.

De omvang van de voorzieningen neemt in 2023 met ongeveer € 2,2 mln. toe. Grootste mutaties vinden plaats bij de Voorziening riolering (+ € 1,7 mln.) en de Voorziening groot-onderhoud gemeentelijke gebouwen (+ € 0,7 mln.).
De totale omvang van de voorzieningen neemt in de periode 2023 - 2026 ongeveer € 11,1 mln. af. In deze periode doen de grootste mutaties zich voor binnen de Voorziening riolering (+ € 5,2 mln.), de Voorziening nadelige complexen Grondbedrijf (-/- € 19,8 mln.) en de Voorziening groot onderhoud gemeentelijke gebouwen (+ € 3,3 mln.).

Ontwikkeling vrije reservemiddelen

In dit deel wordt een beeld gegeven van de stand en ontwikkeling van de vrije reservemiddelen. Concreet wordt ingegaan op de volgende reserves:
- Vrij inzetbaar
- Investeringsfonds 2030
- Reserve Enecogelden en
- Reserve Fonds Zoetermeer 2040

Vrij inzetbare reserve

Op de Vrij inzetbare reserve rust in principe geen concrete bestemming tot besteding van de daarin opgenomen middelen. Wel moet de omvang van deze reserve het financiële ’tegenwicht’ bieden voor het kunnen opvangen van de financiële risico’s. De Vrij inzetbare reserve vormt de weerstandscapaciteit van deze financiële risico’s (exclusief de risico’s van het grondbedrijf). In de volgende tabel is het verloop van de Vrij inzetbare reserve in beeld gebracht. In het overzicht is rekening gehouden met de mutaties uit het Tweede Tussenbericht 2022 en met het begrotingssaldo van deze programmabegroting.

Onder A zijn de raadsbesluiten met beroep op de Vrij inzetbare reserve opgenomen, onder B de verwachtingen.
De bedragen onder B1a-c betreffen bedragen waarover bij eerdere begrotingen of voorstellen besluitvorming heeft plaatsgevonden waarvoor een reservering in de reserve is opgenomen.
Onder B2 zijn middelen gereserveerd die nog niet zijn besteed en waarvoor nog kleine bedragen resteren. 

Onder B3 is het verwacht begrotingssaldo 2023 naar de situatie van het Tweede Tussenbericht 2022 opgenomen. In de Perspectiefnota 2023 werd een voordelig  saldo verwacht van € 4,130 mln. In het Tweede Tussenbericht 2022 is dat bedrag opgelopen naar een voordeel van ruim € 9,6 mln. De verwachte budgetoverhevelingen zijn apart zichtbaar gemaakt. Tegenover het voordeel in 2022 staat een even groot nadeel in 2023. 
De omvang van de reserve vrij inzetbaar is hoger dan voor de onderkende risico’s noodzakelijk is. 

Reserve investeringsfonds 2030

Bij de vaststelling van de Stadsvisie 2030 is besloten tot het opstellen van een inhoudelijke investeringsagenda en om daarvoor een investeringsfonds in het leven te roepen: Investeringsfonds 2030 (Rif). In dit onderdeel worden de spelregels tot voeding en aanwending van de reserve geschetst. Daarna wordt de stand van zaken van het verwachte verloop van het fonds toegelicht inclusief een aantal voorstellen tot aanwending van de reserve.

Voeding en onttrekking investeringsfonds
In het raadsbesluit 090501 van december 2009 is de voeding en onttrekking van de reserve geregeld. De voeding van het fonds vindt in hoofdzaak plaats door de afdrachten van de winst van het grondbedrijf. Daarnaast worden subsidieontvangsten, die een aantoonbare relatie hebben met de opgaven van de Stadsvisie gestort in deze reserve en vindt tot en met 2023 ten laste van de exploitatie een jaarlijkse storting plaats van € 350.000. Uit een eventueel positief jaarrekeningresultaat wordt bij bestemming van dat resultaat maximaal 50% aan de reserve afgedragen. Tenslotte worden de extra inkomsten uit OZB en algemene uitkering voor zover die worden veroorzaakt door de groei van woningen/inwoners voor maximaal 50% gestort in de reserve. Zodat de reserve voor dekking van eenmalige kosten van bijvoorbeeld aanleg/uitbreiding openbaar gebied, die ten grondslag liggen aan de groei van de stad, kan worden ingezet.

De bestemming van de middelen in de Rif wordt jaarlijks bepaald bij de begrotingsbehandeling op basis van voorstellen in de begrotingsstukken. Door vaststelling van de begroting worden middelen in de reserve voor een bepaald project gereserveerd. Op basis van een concreet en uitgewerkt voorstel en raadsbesluit wordt het budget feitelijk beschikbaar gesteld met dekking uit de Rif.

Verloop van de reserve
In de tabel komt het financieel verloop van de stand van de Rif tot uitdrukking rekening houdend met:
- een actualisatie van de verwachte winstafdrachten van het grondbedrijf op basis van de gegevens uit het Eerste en Tweede Tussenbericht;
- een actualisatie van de hoogte van reserveringen voor voorgenomen projecten waartoe eerder is besloten en
- nieuwe voorstellen waarvoor een aanwending (of vrijval) uit de reserve wordt gedaan.

Op basis van de actualisatie en nieuwe voorstellen vertoont de reserve in alle jaren een positief saldo. Wanneer de winstafdrachten grondbedrijf overeenkomstig de huidige inschatting in latere jaren ook werkelijk worden gerealiseerd en de verwachte winstafdracht uit de GR Hoefweg plaatsvindt, biedt de reserve op de langere termijn nog een bestedingsruimte van € 57,6 mln. Als er geen rekening wordt gehouden met de verwachte winstafdrachten is er een bestedingsruimte van € 31,8 mln.

A. is de beginstand van de reserve per 1 januari van het lopende jaar. Daarin zijn alle mutaties van het jaar 2020 verwerkt inclusief de resultaatbestemming, waarover in de Perspectiefnota 2022 besloten is.
Onder A1 staan eerder genomen raadsbesluiten met beroep op de Reserve investeringsfonds 2030. Onder A2 staan reserveringen vanuit eerdere besluitvorming. Voor de aanwending van deze bedragen zullen raadsvoorstellen worden gedaan. De schaalsprongbudgetten zijn apart opgenomen.
Onder B2 zijn de voorstellen tot beleidsintensivering uit de het Voorjaarsdebat 2021/Programmabegroting 2022 opgenomen waar dekking uit de Rif tegenover staat.

In het verloop van het saldo Rif is rekening gehouden met de verwachte afdrachten uit de grondexploitaties. De feitelijke aanwending van deze bedragen is pas mogelijk, nadat deze positieve resultaten in de jaarrekening ook daadwerkelijk zijn gerealiseerd. De verwachte afdrachten vanaf 2021 staan onder C1.
De positieve resultaten van de grondexploitaties worden voor de helft rechtstreeks toegevoegd aan de Reserve investeringsfonds. Het betreft 50% van de gerealiseerde winst. De andere helft wordt toegevoegd aan de Reserve versterking financiële positie Grondbedrijf. Deze reserve vormt samen met de Reserve in verband met risico’s grondbedrijf de weerstandscapaciteit van het Grondbedrijf. De weerstandscapaciteit is de financiële buffer om onverwachte, niet begrote kosten te kunnen dekken. Als de reserves Grondbedrijf samen meer dan 1,2 x de omvang van berekende risico’s bevatten, is er voldoende weerstandscapaciteit en wordt het meerdere afgeroomd en toegevoegd aan de Reserve investeringsfonds. Het huidige saldo in de reserves van de grondexploitaties zit aan het hiervoor aangegeven plafond van 1,2 keer de berekende risico’s. Het gevolg daarvan is dat de positieve resultaten van de grondexploitaties de komende jaren volledig aan de Rif toevloeien als de risico’s gelijk blijven.
Onder C2 staat de verwachte winstafdracht uit de deelneming in de GR Hoefweg. Die verwachte winst is eveneens bestemd om aan de Rif te worden afgedragen.

Reserve Enecogelden/Reserve Fonds Zoetermeer 2040

Financiële stand van zaken
De opbrengst van de verkoop van de aandelen Eneco is gestort in een reserve Enecogelden. De reserve is aangesproken voor kosten als gevolg van corona en het plan Stichting Stedelijk Voortgezet Onderwijs Zoetermeer. Daarnaast is de reserve aangewend om tijdelijke begrotingstekorten af te dekken. 
Naar de stand van het voorjaar 2021 bedroeg de reserve een stand van € 60,735 mln. In de raadsvergadering van juli 2021 is van dat bedrag € 60 mln. (zie 1) gestort in de nieuw ingestelde reserve Fonds Zoermeer 2040. Het beroep op de reserve Enecogelden voor het afdekken van tijdelijke begrotingstekorten is verlaagd met een bedrag van € 12,5 mln. Daardoor neemt het (restant) bedrag van de reserve Enecogelden toe van € 0,735 mln. naar € 13,235 mln. Dit bedrag wordt toegevoegd aan Fonds Zoetermeer 2040 bij het opheffen van de reserve Enecogelden (punt 2).  

Inhoudelijk stand van zaken Fonds 2040
Het college heeft voorstellen gedaan die inhoudelijk bijdragen aan het verminderen of verhelpen van de vraagstukken rond de Omgevingsvisie Zoetermeer 2040 en de daarin onderkende mechanismen (punt 3). Voor die voorstellen was in de Programmabegroting 2022 een bedrag gereserveerd van € 15 mln. Niet het hele bedrag is aangewend. Op verzoek van de raad is de reservering van het restantbedrag in deze begroting vervallen.
De voorstellen uit het coalitieakkoord worden voor een deel gedekt uit het Fonds Zoetermeer 2040 (punt 4). Tenslotte is in het Tweede Tussenbericht 2022 aangegeven dat de middelen voor citymarketing van 2022 verschuiven naar 2023. 

EMU-saldo

Het EMU-saldo geeft de geldstromen per jaar weer. Het EMU-saldo wordt berekend op basis van de mutaties in de geprognosticeerde balans. Het EMU-saldo is het jaarlijkse saldo van de lasten en de baten op basis van reële transacties, ongeacht of het exploitatie- of investeringsuitgaven en -inkomsten betreft.

Per 1 januari 2019 is de regeling ‘Vaststelling gelijkwaardige inspanning decentrale overheden inzake het EMU-saldo’ voor de jaren 2019 tot en met 2022 in werking getreden. Het ministerie van BZK publiceert referentiewaarden. Voor gemeenten gezamenlijk is het aandeel -/- 0,4% van het Bruto Binnenlands Product (BBP). Het aandeel van Zoetermeer is in onderstaande tabel weergegeven. Bijlage 7 bevat een overzicht van (de berekening van) het EMU-saldo.