Financiële begroting

Inleiding

De financiële positie van gemeenten staat onder druk. En die druk heeft een structureel karakter: oplopende kosten in het sociaal domein, ontoereikende rijksvergoedingen en een oplopende korting op het gemeentefonds. Deze situatie speelt bij veel gemeenten in Nederland en zo ook in Zoetermeer: de begroting is meerjarig uit het lood, de uitgaven zijn niet in evenwicht met de inkomsten. Op korte termijn worden tekorten nog opgevangen door tijdelijke rijksvergoedingen en met een beroep op reservemiddelen, maar die situatie is op termijn niet houdbaar.
Door het kabinet is inmiddels met betrekking tot de kosten van de jeugdzorg voor het jaar 2022 een forse verhoging van de vergoeding toegezegd. Het eerder voor 2022 toegezegde bedrag van (landelijk) € 300 mln. is inmiddels verhoogd met € 1,3 mld. tot € ruim € 1,6 mld. Voor Zoetermeer betekent dit een stijging van de vergoeding van € 11,6 mln. voor het begrotingsjaar 2022. Een structurele doorwerking hiervan is afhankelijk van besluitvorming door het volgende kabinet.
Ook voor andere dossiers in de financiële verhouding tussen rijk en gemeenten is er nog onzekerheid over de richting en/of omvang van de financiële gevolgen voor de gemeente. En daarnaast of en het moment waarop een nieuw kabinet er een besluit over neemt. Concreet gaat het over de herijking van het gemeentefonds, het eigen risico in de Wmo en het verminderen/afschaffen van de opschalingskorting.
De in de programmabegroting opgenomen inkomsten uit het gemeentefonds zijn gebaseerd op de besluiten die tot nu toe door het huidig kabinet zijn genomen. In het begrotingssaldo zijn geen verwachtingen opgenomen. Die verwachtingen zijn er wel en afzonderlijk zichtbaar gemaakt.

Het financieel perspectief in de begroting 2022 vertoont een klein positief saldo van een € 1 mln., rekening houdend met een beroep op de reserve vrij inzetbaar voor het afdekken van kosten van tijdelijk beleid. Voor de jaren 2023 en verder is sprake van een fors tekort, voornamelijk als gevolg van het nog ontbreken van structurele compensatie voor de kosten van de jeugdzorg.

De nog niet sluitende meerjarenbegroting, ondanks een eerder pakket van bezuinigingsmaatregelen van € 14 mln., leidt ertoe dat het college zich met onverminderde inzet blijft richten op een toereikende en structurele vergoeding door het rijk in combinatie met inzet op kostenbeheersing in het sociaal domein; in het bijzonder de jeugd.

Het formele begrotingssaldo 2022 bedraagt € 0,963 mln. negatief (2025 - € 12,2 mln.). Het beeld voor 2022 is ten opzichte van de Perspectiefnota 2022 sterk verbeterd door de hiervoor aangehaalde forse stijging van de rijksvergoeding jeugd. Tegenover de stijging van inkomsten staat in 2022 vanuit de meldingen in het Tweede tussenbericht ook een tegenvaller van stijgende kosten van jeugdzorg van € 2,4 mln. Per saldo is het effect voor het begrotingssaldo 2022 positief.

De onderstaande tabel 1 toont op hoofdlijn het begrotingsbeeld op grond van thans bekende feiten. Uit de tabel komt naar voren welk deel van het begrotingssaldo 2022 wordt gedekt door de inzet van eenmalige middelen.

Tabel 1 Financieel perspectief en begrotingssaldo

Van het begrotingssaldo 2022 van € 0,963 mln. (negatief) betreft € 6,641 mln. (positief) het verschil tussen de structurele baten en de structurele lasten (zie regel A2). Dit positieve getal is relevant voor de provincie bij de beoordeling of de begroting 2022 materieel in evenwicht is. Dit is voor het jaar 2022 het geval. Voor de jaren erna niet.
In het onderdeel Totstandkoming van de begroting wordt het cijfermatig verband tussen de vorige begroting, de Perspectiefnota 2022, het Tweede Tussenbericht 2021 en de Programmabegroting 2022 toegelicht.

Grondslagen

De volgende grondslagen bepalen mede het financiële beeld in de programmabegroting:

  • Ontwikkeling van de aantallen inwoners en woningen;
  • Beleid ten aanzien van verwachte ontwikkeling van het loon- en prijspeil;
  • Ontwikkeling algemene uitkering;
  • Rentepercentages;
  • Afschrijvingstermijnen.

Ontwikkeling van de aantallen inwoners en woningen

In deze begroting is voor de berekening van de uitkering van het Gemeentefonds uitgegaan van de aantallen woningen en inwoners zoals opgenomen in onderstaande tabel. In deze aantallen is nog geen rekening gehouden met de effecten van de uitbreiding van de schaalsprongprojecten.

De aantallen inwoners en woningen zijn voor de financiële begroting belangrijke parameters, omdat veel financiële stromen (zoals Algemene uitkering en diverse belastingen) worden berekend aan de hand van deze parameters. De financiële gevolgen van een toename van de woningen (en veranderingen in omvang inwoners) is voor het begrotingssaldo in principe neutraal. De hogere inkomsten als gevolg van meer woningen/ inwoners worden voor maximaal 50% gestort in de Reserve Investeringsfonds en voor 50% ingezet voor hogere kosten van beheer/voorzieningen als gevolg van uitbreiding van inwoners en te onderhouden openbaar gebied.

Loon- en prijsstijging

De gevolgen voor loon- en prijsstijging ten opzichte van de begroting 2021 worden als volgt in de programma’s van de begroting 2022 verwerkt.

Prijsstijging 2022
Op basis van de gegevens van het Centraal Plan Bureau (CPB) van maart 2021 wordt voor de lastenkant van de begroting uitgegaan van een prijsmutatie 2022 van 1,9% ten opzichte van de begroting 2021. Dit percentage bestaat uit de inschatting voor 2021 van 1,4% en een correctie van 0,5% over voorgaande jaren. Voor de batenkant van de begroting 2022 wordt rekening gehouden met een algemene mutatie van de tarieven van 2,4%. Ook hierin is de stijging van 2021 1,4%.

De correctie op de lasten is gebaseerd op een vergelijking met de bij de besluitvorming in het voorjaar 2020 gehanteerde percentages. De vergelijking met de baten is gebaseerd op de peildatum van de gegevens in het najaar van 2020. Het nu ingeschatte algemeen stijgingspercentage van 2,4% wordt ten behoeve van het tarievenvoorstel van december 2021 in het najaar definitief vastgesteld op basis van de gegevens van de Miljoenennota/Macro economische verkenningen van september 2021.

Loonstijging 2022
Voor de stijging van de loonkosten wordt een stijgingspercentage van 2,0% aangehouden ten opzichte van de begroting 2021. Op dit moment is er veel onzekerheid over de ontwikkeling van de loonkosten voor de gemeenten. De huidige CAO liep tot 1 januari 2021. De onderhandelingen over de nieuwe CAO per 1 mei 2021 zijn nog niet afgerond. Gezien deze onzekerheid gaan we in de begroting 2022 uit van een stijging van de loonkosten met 2,0% voor de optelsom van mutaties van de sociale lasten per 1 januari 2021 en de nog onbekende nominale ontwikkeling van de af te sluiten nieuwe CAO.

Op de verschillende programma’s stijgen de budgetten voor de loonkosten in 2022 ten opzichte van 2021 met 2,0%.

Loon- en prijsstijging vanaf 2023
Vanaf 2023 wordt op concernniveau voor de ontwikkeling van lonen rekening gehouden met een stijging van 2,0%. Voor de stijging van de overige lasten in de begroting volgen we de raming van het CPB voor het indexcijfer materiele overheidsconsumptie (IMOC) van 1,5% per jaar. De hieruit voortvloeiende kostenstijging wordt gedekt uit de stijging van de Algemene Uitkering als gevolg van ontwikkeling van de accressen van het Gemeentefonds.

Ontwikkeling algemene uitkering

De in de begroting verwerkte Algemene uitkering is gebaseerd op de Meicirculaire 2021 en de nadien bekend geworden informatie over de compensatie van de kosten van de jeugdzorg 2022. Met de eventuele gevolgen uit de Septembercirculaire wordt in de Programmabegroting zelf geen rekening gehouden. De budgettaire vertaling ervan wordt betrokken in de volgende perspectiefnota.
Voor Zoetermeer leverde de Meicirculaire in 2022 een nadeel op van € 0,8 mln. dat in de jaren tot en met 2025 oploopt naar een nadeel van € 2,7 mln. De algemene uitkering is – alleen in 2022 - verder verhoogd met € 11,6 mln. in verband met compensatie van de kosten van de jeugdzorg.
De omvang van het gemeentefonds volgt de ontwikkeling van de rijksbegroting. Uitgangspunt is dat de accresontwikkeling die opgenomen is in de circulaire ruimte biedt om de kostenontwikkeling die voortkomt uit loon- en prijsstijging op te vangen. Een gedetailleerde toelichting is opgenomen in het Overzicht algemene dekkingsmiddelen (OAD).

Rentepercentages

In onderstaande tabel staan de rentepercentages vermeld waarmee in de begroting 2022 is gerekend.

Afschrijvingstermijnen

Op investeringen wordt afgeschreven. Daardoor worden de investeringsuitgaven in de tijd verdeeld over de gebruiksduur van de investering. De geldende afschrijvingstermijnen zijn opgenomen in bijlage 13. De raad bepaalt afschrijvingstermijnen en legt deze vast in verschillende beleidsnota’s. Ter wille van het overzicht wordt het totaaloverzicht van actuele afschrijvingstermijnen in de begroting opgenomen.

Totstandkoming van de begroting

Tabel 2 toont de cijfermatige vertaling van de diverse momenten in het begrotingsproces. Daarna volgt een toelichting per onderdeel.

In november 2021 is de Programmabegroting 2021-2024 aangeboden aan de raad. Hieraan zijn de financiële gevolgen van raadsbesluiten, TB1 en de meicirculaire toegevoegd. Dit leidt tot een Financieel uitgangspunt na voorjaarsdebat (zie regel 1). In het tweede deel van de tabel is de actualisatie van het financieel perspectief opgenomen vanaf de Perspectiefnota 2022. Deze verschillen worden onder de tabel per onderdeel toegelicht. Na aanpassing is het saldo in 2022 € 1,037 mln. positief (zie regel 9).

Tabel 2 Financieel perspectief op hoofdlijn

De opgenomen bedragen per jaar vormen het totaal van de in deze Programmabegroting 2022-2025 op programmaniveau opgenomen budgetten (zie de onderdelen Programma’s, Overzicht Overhead en OAD).

Afwijkingen op bestaand beleid na peildatum Perspectiefnota 2022

Afwijkingen op verwachte extra vergoeding jeugd en Wmo na peildatum Perspectiefnota 2022
Het rijk heeft voor het jaar 2022 een hogere vergoeding voor de kosten jeugdzorg beschikbaar gesteld. De structurele doorwerking van vanaf 2023 is afhankelijk van een besluit van het volgende kabinet. Het eerdere bedrag van de minimale omvang van deze structurele vergoeding van € 2,6 mln. (regel b) is met de uitkomst van het rapport van de arbitragecommissie achterhaald. Tegelijkertijd is de omvang ervan nog onzeker. Daarom is de meerjarenverwachting van € 2,6 mln. uit de tabel van het begrotingssaldo/financieel perspectief gehaald (regel 7 als tegenhanger van regel b) en overgebracht naar een nieuwe tabel ‘Financiële ontwikkelingen: een vooruitblik’ (zie onderdeel Inleiding). Deze wijze van presenteren maakt een duidelijker onderscheid tussen de cijfers waartoe is besloten en cijfers die gebaseerd zijn ruwe schattingen in combinatie met onzekerheid in besluitvorming door het rijk. Om diezelfde reden is de verwachting met betrekking tot de compensatie door het rijk van de gestegen kosten van de Wmo niet meer in de tabel begrotingssaldo/financieel perspectief opgenomen (regel 6 als tegenhanger van regel c) post.

Afwijkingen op bestaand beleid na peildatum Perspectiefnota 2022
Sinds het uitbrengen van de Perspectiefnota 2022 hebben zich op diverse onderwerpen ontwikkelingen voorgedaan, die leiden tot afwijkingen op het bestaand beleid. Deze afwijkingen zijn opgenomen in het Tweede Tussenbericht (regel 8). De onderdelen die betrekking hebben op de Meicirculaire 2021 zijn toegelicht bij het onderdeel Grondslagen van de begroting. Daarnaast is sprake van de volgende afwijkingen op bestaand beleid: zie tabel 3.

Tabel 3 Afwijkingen bestaand beleid

1. Collectieve ziektekostenverzekering
De begroting is gebaseerd op 5.185 deelnemers, in 2020 bleek het aantal deelnemers fors lager dan waar in de begroting rekening mee is gehouden. Ook in 2021 zien we dat deze trend zich doorzet, daarom wordt de begroting aangepast op 4.500 aantal deelnemers. Dat levert een structureel voordeel op van € 200.000.

2. Zorg in natura
Op basis van de rapportage van het Servicebureau wordt rekening gehouden met een kostenstijging van € 3,2 mln. in 2021. Uit een eerste analyse blijkt dat er met name sprake is van een toename van het gebruik van vormen van jeugd-GGZ. Daarnaast is het beeld dat jeugdhulpaanbieders nog niet voldoen aan hun inspanningsverplichting aangaande het richtinggevend kader en de maximale bestedingsruimte. De verwachting is dat de kostenstijging de komende jaren stapsgewijs kan worden afgebogen door de implementatie van (aanvullende) landelijke, lokale en regionale kostenbeheersingsmaatregelen om het sociaal domein voor de toekomst financieel bestendig te houden. Vooralsnog wordt daarom een afbouw van de kostenstijging voorzien van 25 % per jaar. Voor de begroting 2022 betekent dit een bedrag € 2,4 mln. dat jaarlijks met € 0,8 mln. afloopt.

3. Formatie Wmo
In de eerste helft van 2021 is het aantal Wmo-meldingen (inwoners die een beroep doen op de Wmo) fors toegenomen. De tijdige afhandeling van de meldingen leiden ertoe dat de uitvoeringskosten in 2021 en 2022 stijgen. Voor 2022 wordt rekening gehouden dat tot en met juni er vier klantmanagers extra nodig zijn (€ 160.000). Vanuit het project financieel toekomstbestendig sociaal domein zal er gekeken worden hoe er kosten kunnen worden bespaard.

4. GGD Haaglanden
In de begroting van de GR GGD Haaglanden is sprake van hogere lasten wegens onder meer indexatie, overhead en een bijstelling van volumes op gebied van Toezicht kinderopvang (minder) en de Wet op de lijkbezorging (meer). Per saldo leidt de vastgestelde begroting van de GGD tot een structureel hogere deelnemersbijdrage.

5. Afvalinzameling en verwerking matrassen
Voor afvalinzameling, -verwerking en overige kosten is in de begroting in totaal € 11,2 mln. opgenomen. Hiervan is € 1,6 mln. begroot voor grofvuil. Eén van de onderdelen van het grofvuil is de verwerking van matrassen.  Door landelijke regelgeving over de verwerking van matrassen in combinatie met het opschorten van de uitvoering van het nieuwe afval- en grondstoffenbeleidsplan, nemen de verwerkingskosten toe naar € 250.000 per jaar. Deze extra en naar verwachting structurele kosten worden betrokken in de hoogte van de afvalstoffenheffing vanaf 2022.

6. Functioneel leeftijdsontslag (FLO) Veiligheidsregio
Een onderdeel van de deelnemersbijdrage van de gemeenschappelijke regeling Veiligheidsregio Haaglanden (VRH) is het Functioneel Leeftijdsontslag (FLO). Het financiële effect betreft het naar voren halen van de uitgaven (versneld sparen) en de gevolgen van de netto-garantie. Er is nu een nieuwe raming gemaakt op basis van de laatste inzichten. Hierbij is gebruik gemaakt van input van het Expertisebureau FLO van het Instituut Fysieke Veiligheid. In 2022 betreft het verwachte nadeel € 151.000.

7. Ontsluitingsweg Nutricia
Het project heeft vertraging opgelopen en er zijn kostenoverschrijdingen voorzien tot een bedrag van € 467.000. Deze kosten worden in 50 jaar afgeschreven volgens de lineaire afschrijvingssystematiek. Over de hele levensduur bezien bedragen de jaarlijkse kosten in dat geval gemiddeld circa € 15.000.

8. Stationsgebied, plintgebouw
Voor de realisatie van het Plintgebouw is ca. € 11,2 mln. beschikbaar met ca. € 5,9 mln. dekking vanuit subsidie. De voorbereiding en de aanbesteding van de diensten nemen meer tijd in beslag dan verwacht, waardoor het project later start. Daarnaast wordt de uitvoering verschoven als gevolg van een update van de planning in relatie met het bestemmingsplan waardoor de oplevering in 2024 plaatsvindt in plaats van in 2023. Dit betekent dat de kapitaal- en onderhoudslasten van 2024 ad € 438.000 een jaar later ingaan met een even grote mutatie in de Rif daar tegenover.

9. Opbrengst hondenbelasting
Sinds 2016 neemt het aantal honden jaarlijks af. Op basis van het verloop in de afgelopen vijf jaar is de inschatting dat het aantal honden ook op de langere termijn op dit lagere niveau blijft.

10. Opbrengst toeristenbelasting
Door de coronamaatregelen is het aantal overnachtingen in 2020 met ongeveer de helft gedaald ten opzichte van het jaar er voor. De algemene tendens is dat het thuiswerken een blijvend karakter heeft, waardoor er minder zakelijke bewegingen zijn en dus ook minder hotelovernachtingen (zoals in de jaarrekening 2020 gemeld). De inschatting voor de langere termijn is dan ook dat het aantal overnachtingen de komende jaren niet hoger uitkomt dan ongeveer 75% van het niveau van 2019.

11. Stedin, preferente aandelen
In de raad van 31 mei 2021 is besloten tot de inschrijving op de uitgifte van cumulatief preferente aandelen van Stedin Holding N.V. tot een maximumbedrag van € 9.350.000. Op basis van besluitvorming over de uitgifte en toewijzing van de aandelen door de Algemene Vergadering van Aandeelhouders (AvA) heeft Zoetermeer een bedrag van ruim € 8,9 mln. toegewezen gekregen. Het verschil tussen de dividendopbrengst (van 3%) en de rentekosten van de kapitaalstorting zijn positief.

12. Compensatie kosten jeugdzorg
In het memo meicirculaire 2021 is een inschatting van € 9 mln. opgenomen van de incidentele compensatie van het rijk voor de gestegen kosten jeugdzorg 2022. Later is duidelijk geworden dat de vergoeding voor Zoetermeer € 11,6 mln. bedraagt.

13. Moties Voorjaarsdebat ten laste van budget ‘potje van de raad’
De kosten van de aangenomen moties met een beroep op het ’potje van de raad’ zijn in de Programmabegroting 2022 budgettair vertaald. Daar tegenover staat een aframing van de stelpost ‘potje van de raad’ met € 65.000.  Het restantbudget ’potje van de raad’ voor 2022 is € 35.000.

14. Moties Voorjaarsdebat ten late van budget uit Amendement 2106-V
De kosten van de aangenomen moties die voor de dekking een beroep doen op het bij amendement 2106-V beschikbaar gestelde budget zijn in de Programmabegroting 2022 budgettair vertaald. Tegenover deze kosten staat, conform genoemd amendement, een inkomstenraming op programma OAD van € 1 mln. als bijdrage vanuit de reserve vrij inzetbaar. De tabel toont dat van het beschikbare budget van € 1 mln., na aftrek van de dekking voor de moties uit het voorjaarsdebat, nog een budget resteert van € 283.000.

Opbouw financiële begroting

De financiële begroting is opgebouwd uit zeven programma’s, het Overzicht Overhead, het Overzicht algemene dekkingsmiddelen en onvoorzien en de Vennootschapsbelasting.

Per programma worden onderscheiden:

  • De lasten
  • De baten
  • De toevoegingen en onttrekkingen aan reserves

Het saldo van baten en lasten is het exploitatiesaldo. Het eindsaldo, waarin de mutaties van de reserves zijn meegenomen, wordt het ‘geraamd resultaat’ genoemd.

Onderstaande tabel geeft de te autoriseren bedragen voor 2022 weer. In bijlage 12 Overzicht taakvelden is de uitsplitsing voor de jaren 2023, 2024 en 2025 opgenomen.

Totaaloverzicht op meerjarenbasis

In onderstaande tabel is de financiële begroting op meerjarenbasis weergegeven. In de volgende paragraaf worden inidentele baten en lasten toegelicht en volgt een overzicht van het meerjarig structureel saldo van de begroting.

Incidentele baten en lasten

Inzicht in de incidentele baten en lasten is nodig om te beoordelen of de begroting structureel in evenwicht is, dat wil zeggen dat de structurele lasten worden gedekt door structurele baten. De incidentele baten en lasten blijven voor de bepaling van dat evenwicht buiten beschouwing.

Onder incidentele baten en lasten worden onder andere de volgende posten verstaan:

  • Inkomsten uit grondexploitaties
  • Dotaties en onttrekkingen aan de algemene reserve
  • Incidentele toevoegingen en aanwendingen aan bestemmingsreserves die gevolgen hebben voor het begrotingssaldo
  • Bijzondere baten en lasten ten gevolge van incidenteel nieuw beleid
  • Voordelige en nadelige afwikkelingsverschillen van voorgaande dienstjaren
  • Extra afschrijvingen ten laste van de exploitatie.

Alleen baten en/of lasten van tijdelijk aard en groter zijn dan € 100.000 worden als incidenteel aangemerkt.

Tabel 5 Overzicht incidentele baten en lasten

Bovenstaande tabel toont dat in de begroting van 2022 € 7.604.000 meer aan incidentele lasten zijn geraamd dan aan incidentele baten. Dit houdt in dat het begrotingssaldo van 2022 wordt beïnvloed door netto € 7.604.000 aan tijdelijke lasten. Hieronder wordt een nadere toelichting gegeven op de individuele posten die dit saldo veroorzaken. Daarnaast wordt in de laatste alinea ingegaan op het wel of niet structureel en reëel sluitend zijn van de begroting.

Toelichting incidentele baten en lasten

Programma 1 Onderwijs, economie en Arbeidsparticipatie
In het Coalitieakkoord zijn in programma 1 tijdelijke budgetten opgenomen van € 766.000 in 2022. In de PN 2021 zijn voor 2021/2024 bedragen opgenomen in verband met bestuurlijke afspraken over laaggeletterdheid met daar tegenover een rijksbijdrage op OAD. Het gaat om € 129.000 per jaar. Bij de resultaatbestemming van 2019 is een bedrag bestemd voor het lectoraat big data voor 2022 € 50.000. In de programmabegroting 2021 is een voorstel nieuw beleid opgenomen voor de doorontwikkeling van het Werkbedrijf, € 250.000 voor de jaren 2021/2023.

Programma 2 Samen leven en ondersteunen
Voor programma 2 is in het Coalitieakkoord € 1.583.000 in 2022 gereserveerd. Het aanbestedingsresultaat regionale inkoop jeugd omvat een incidentele component van € 368.000 in 2022. Het servicebureau jeugd wil in 2021 en 2022 investeren in een omslag naar een hogere directe productiviteit van aanbieders met de voorwaarde van lagere tarieven vanaf 2022. In de PN 2022 is melding gemaakt van een incidentele last van € 284.000 in 2022 voor verlenging van de tijdelijke financiering voor een verbeterplan voor gecertificeerde jeugdinstellingen vanwege een langere doorlooptijd. Verder is er in de PN2022 een bedrag beschikbaar gesteld om de wijkvestiging van de bibliotheek in Oosterheem open te houden zolang er nog geen duidelijkheid is over de omvorming tot Huis van de wijk. Het gaat om € 127.000 in 2022.

Programma 3 Leefbaarheid, duurzaam en groen
Voor 2022 is in het Coalitieakkoord voor dit programma € 2.275.000 beschikbaar. Uit de resultaatbestemming 2019 is voor 2022 € 60.000 voor het programma Duurzaam en groen ter beschikking gesteld. In de PN 2022 is voor ontwikkeling van data en software voor gebruik in het openbaar gebied € 100.000 gereserveerd voor de jaren 2021/2024. In het voorjaarsdebat heeft de raad € 200.000 uitgetrokken voor het vergroten van afvalbakken in 2022.

Programma 4 Vrije tijd
Voor extra bruis is in het Coalitieakkoord € 150.000 beschikbaar voor 2022. Met motie 2106-13 is voor een investeringsimpuls voor verenigingen eenmalig € 100.000 toegekend.

Programma 5 Veiligheid
Vanuit het Coalitieakkoord is voor 2022 voor Veiligheid € 513.000 ingeruimd. Daarnaast is voor de uitvoering van ondermijnende criminaliteit een subsidie beschikbaar van € 157.000 voor 2022.

Programma 6 Dienstverlening en samenspraak
Overeenkomstig het Coalitieakkoord is € 75.000 in 2022 verwerkt voor de uitbreiding van het aantal collegeleden. In 2022 wordt een referendum over het afvalbeleid georganiseerd. Dat kost naar verwachting
€ 198.000. Door uitstel van de ingangsdatum van de Omgevingswet worden er extra kosten gemaakt: in 2022 € 230.000 en in 2023 € 130.000. Dit is in de PN 2022 gemeld.

Programma 7 Inrichting van de stad
De in dit programma geraamde incidentele baten en lasten betreffen de geraamde kosten en opbrengsten in de grondexploitaties. Alhoewel de projecten een meerjarig karakter hebben, worden de in de begroting opgenomen baten en lasten toch als incidenteel beschouwd. In het Coalitieakkoord is voor programma 7 € 122.000 opgenomen voor 2022.

Overzicht Overhead
Uit het Coalitieakkoord volgt voor Overhead een bedrag van € 1.358.000 in 2022. In de Perspectiefnota 2020 is aanvullend voor flankerend beleid een bedrag van € 500.000 toegevoegd voor 2020 en verder tot en met 2023. Bij de Perspectiefnota 2021 is besloten tot het naar voren halen van € 200.000 lasten voor citymarketing. Door het vertrek van de bibliotheek van de begane grond in het Stadhuis-Forum zijn de huuropbrengsten in 2022 lager. Het gaat om € 130.000.

Overzicht Algemene dekkingsmiddelen en Onvoorzien
Voor 2022/2024 zijn in deze begroting rijksbijdragen opgenomen van € 129.000 per jaar voor de bestuurlijke afspraken over laaggeletterdheid, zie ook programma 1.  Door uitstel van het nieuwe afvalbeleidsplan worden de daaraan gekoppelde meeropbrengsten Ozb niet gerealiseerd. Dit heeft invloed op de jaren 2022 voor € 50.000, 2023 € 225.000 en in 2024 € 150.000. Motie 2106-64 uit het voorjaarsdebat leidt tot een lagere opbrengst precariobelasting in 2022 van € 125.000. Van het door de raad in 2022 beschikbaar gestelde bedrag van € 1.000.000 (zie onder Mutaties reserves) is nog € 283.000 niet aan programma’s toegewezen.

Mutaties reserves

Programma 7 Inrichting van de stad
Het betreft hier het saldo tussen de geraamde incidentele baten en lasten uit grondexploitaties. Hierdoor zijn de gevolgen van de grondexploitaties neutraal voor zowel het begrotingssaldo als in het overzicht incidentele baten en lasten.

Uit de Rif wordt in 2022 € 250.000 bijgedragen ter dekking van het nieuw beleid uit het Coalitieakkoord voor groen en duurzaam en € 1.000.000 door herschikking van mobiliteitsgelden.

Met amendement 2106-V heeft de raad € 1.000.000 beschikbaar gesteld voor uitvoering van diverse moties ten laste van de Vrij inzetbare reserve.

Overzicht van structurele toevoegingen en onttrekkingen en stortingen aan reserves

In 2015 is de regelgeving van het Besluit Begroten en Verantwoorden (BBV) aangepast. Een van de aanpassingen richt zich op het vergroten van het inzicht op incidentele baten en lasten. In de toelichting op de gewijzigde BBV staat dat ervan wordt gegaan dat toevoegingen en onttrekkingen aan reserves in principe incidenteel van aard zijn. Echter, er zijn ook verrekeningen met reserves die structureel van aard zijn. Om een goed beeld te kunnen vormen of structurele lasten worden gedekt door structurele baten is in BBV opgenomen, dat zowel in de begroting als in de rekening een overzicht opgenomen moet worden waarin de geraamde structurele toevoegingen en onttrekkingen aan de reserves is weergeven.

De toevoeging aan de vrij inzetbare reserve is een gevolg van een bedrag dat is voorgefinancierd ten behoeve van ambtelijke huisvesting uit de vrij inzetbare reserve en met een jaarlijks vast bedrag wordt ‘terugbetaald’.

Berekening structureel begrotingssaldo

In onderstaande tabel is het saldo van de programmabegroting gecorrigeerd met het saldo van incidentele baten en lasten. Het gecorrigeerde saldo laat de structurele ruimte in de begroting zien op basis van de regelgeving van het Besluit Begroting en Verantwoording (BBV).

Uit deze opstelling blijkt dat de jaarschijf 2022 reëel in evenwicht is: de structurele baten zijn € 6.641.000 hoger dan de structurele lasten. Meerjarig is er nog geen sprake van evenwicht. Bij het komende voorjaarsdebat is naar verwachting meer bekend over de uitkomsten van de besluitvorming van een nieuw kabinet over de structurele compensatie van de kostenstijging in de jeugdzorg, de mogelijke aanpassingen in de Wmo (abonnementstarief) en de opschalingskorting. Dan is ook meer bekend over de herverdeling van het gemeentefonds.

Investeringen

Investeringen met een economisch nut
Investeringen met een economisch nut betreffen vaste activa die verhandelbaar zijn, zoals gebouwen en voertuigen of waar inkomsten tegenover kunnen staan, bijvoorbeeld rioolrecht en leges. Deze investeringen moeten worden geactiveerd en reserves mogen niet op deze investeringen in mindering worden gebracht. Daarnaast mag niet resultaatgericht worden afgeschreven en moet consistent worden afgeschreven. Wel mogen bijdragen van derden, die direct gerelateerd zijn aan de investering, in mindering worden gebracht.

Investeringen in de openbare ruimte met maatschappelijk nut
Om te komen tot meer vergelijkbaarheid schrijft de BBV voor dat investeringen in de openbare ruimte met een maatschappelijk nut (wegen, straten, pleinen, groen, water) gelijk moeten worden behandeld als investeringen met een economisch nut.

Het activeren heeft als gevolg dat de uitgaven in één jaar worden verantwoord, maar dat de lasten in de begroting in het vervolg gespreid worden over de levensduur.

In de begroting zijn investeringen opgenomen die geautoriseerd worden bij vaststelling van de programmabegroting (investeringen die betrekking hebben op 2022). In onderstaande tabel is een samenvattend overzicht opgenomen van de investeringen. In bijlage 6 is een specificatie van deze bedragen opgenomen.

Ontwikkelingen in de reserveposities en voorzieningen

De reserves vormen, samen met het resultaat na bestemming volgend uit de programmarekening, het eigen vermogen (artikel 42, lid 1 BBV). In artikel 43 van het BBV worden twee soorten reserves onderscheiden:
 A.    De algemene reserves
 B.    De bestemmingsreserves

De algemene reserves bestaan uit reserves waaraan geen bestemming is gegeven. Deze dienen om risico’s in algemene zin op te vangen (bufferfunctie van de reserves).
De bestemmingsreserves zijn reserves waaraan de raad diverse bestemmingen heeft gegeven. Deze bestemmingsreserves hebben diverse functies. De meeste bestemmingsreserves zijn in het leven geroepen ter dekking van de lasten van specifieke beleidsonderwerpen (bestedingsfunctie van de reserves). Ook zijn er reserves die baten genereren voor de exploitatie (inkomensfunctie) en reserves die zorgen dat lasten worden geëgaliseerd (egalisatiefunctie).
In Zoetermeer worden investeringen gefinancierd met reserves en voorzieningen. Hierdoor wordt de noodzaak beperkt om te financieren met leningen van de bank (financieringsfunctie van de reserves en voorzieningen).

In onderstaande tabel wordt het verloop van de reserves in totaliteit per onderscheiden soort weergegeven. In bijlage 4 is het overzicht van reserves opgenomen.
De toevoegingen en onttrekkingen bij de jaarschijf 2022 zijn mutaties in de reserves die onderdeel uitmaken van de ramingen, die zijn opgenomen bij de programma’s. Om een zo goed mogelijk beeld over het verloop van de stand van de reserves te geven, zijn ook mutaties meegenomen die niet bij de vaststelling van de programmabegroting door de raad worden geautoriseerd. Deze mutaties zijn in de kolom 'verwachtingen' meegenomen. In een afzonderlijk voorstel aan de raad kunnen deze alsnog worden geautoriseerd.

Het totaal van de algemene reserves neemt in 2022 met € 13,4 mln. af. Deze afname komt grotendeels door de mutaties in de Vrij inzetbare reserve (-/- € 17,4 mln., toegelicht in het volgende onderdeel Ontwikkeling vrije reservemiddelen ) en de Reserve versterking Financiële positie Grondbedrijf
(+ € 4,9 mln.)
Het totaal van de bestemmingsreserves blijft in 2022 ongeveer gelijk. De grootste mutaties zijn te vinden bij de Reserve Investeringsfonds 2030 (+ € 8,8 mln., toegelicht in het volgende onderdeel Ontwikkeling vrije reservemiddelen), de reserve Algemeen Dekkingsmiddel (-/- € 2,5 mln.), de Reserve groot onderhoud welzijnsaccommodaties (+ € 0,5 mln.) en de Brede Bestemmingsreserve (-/- € 3,5 mln.). Verder zijn verwachtingen opgenomen voor de Reserve Enecogelden (-/- € 0,8 mln.) en Reserve Fonds Zoetermeer 2040 (-/- € 1,8 mln.).

In de periode 2022–2025 nemen de reserves met circa € 10,3 mln. af.

In onderstaande opsomming zijn de grootste mutaties weergegeven (bedragen x € 1 mln.).

Vrij inzetbare reserve  -/-17,0 Gedetailleerd overzicht van deze reserve in het volgende onderdeel Ontwikkeling vrije reservemiddelen
Reserve Investeringsfonds 2030  + 13,7 Gedetailleerd overzicht van deze reserve in het volgende onderdeel Ontwikkeling vrije reservemiddelen
Reserve Algemeen Dekkingsmiddel -/- 7,8 Onder andere overheveling middelen naar de Reserve egalisatie investeringen schoolgebouwen
Reserve versterking financiële positie Grondbedrijf     + 8,1 Diverse toevoegingen vanuit de grondexploitaties
Brede Bestemmingsreserve -/- 1,6 Onder andere Aardgasvrije wijken (-/- € 4,8 mln, klimaatakkoord (-/- € 0,7 mln.) en Perspectief op Werk (-/- € 1,0 mln.)
Reserve Enecogelden en Fonds Zoetermeer 2040 -/- 2,5 Minder beroep op Enecogelden (+ € 12,5 mln. zie toelichting bij Vrij inzetbare reserve elders in dit onderdeel), opgenomen verwachting voorstellen Investeringsagenda (-/- € 15,0 mln.), overheveling tussen deze reserves i.v.m. opheffen Reserve Enecogelden (+/- € 13.2 mln.
Brede Bestemmingsreserve -/- 4,9 Onder andere Aardgasvrije wijken (-/- € 4,0 mln.), energietransitie klimaatakkoord (-/- € 0,7 mln.)

 

Ontwikkelingen in de voorzieningen

De voorzieningen zijn vermogensbestanddelen die als vreemd vermogen worden aangemerkt. Er kleeft als het ware al een verplichting (jegens een derde) aan. Als gevolg van artikel 44 van het BBV kunnen de volgende soorten voorzieningen worden gevormd:
- voor middelen van derden die specifiek besteed moeten worden (geldt niet voor bijdragen van andere overheden);
- voor de egalisatie van kosten;
- voor verplichtingen en verliezen alsmede voor risico’s waarvan de omvang onzeker is maar welke wel redelijkerwijs te schatten zijn.

Schulden vallen niet onder het begrip voorzieningen omdat daarbij geen onzekerheid bestaat over de omvang van de verplichting.
Toevoegingen aan voorzieningen vinden plaats ten laste van de exploitatie, dus niet via resultaatbestemming, zoals bij de reserves. Aanwendingen - altijd voor het doel waarvoor de voorziening was gevormd - worden rechtstreeks ten laste van de voorziening gebracht.
Indien een voorziening geheel of gedeeltelijk kan vrijvallen, wordt de vrijval via de exploitatie in het resultaat verwerkt.

In onderstaande tabel is op hoofdlijnen het verloop van de stand van de voorzieningen weergegeven. Evenals bij de reserves zijn bij het verloop van de voorzieningen verwachtingen meegenomen. Deze zijn opgenomen om een goed verloop van de voorziening weer te geven. De verwachtingen worden niet geautoriseerd bij de vaststelling van de programmabegroting door de raad. De specificatie is opgenomen in bijlage 5.

De omvang van de voorzieningen neemt in 2022 met ongeveer € 1,1 mln. toe. Grootste mutaties vinden plaats bij de Voorziening riolering (+ € 1,4 mln.), de Voorziening verplichtingen afgesloten grondexploitaties (-/- € 0,2 mln.) en de Voorziening nadelige complexen Grondbedrijf (-/- € 0,2 mln.).

De totale omvang van de voorzieningen neemt in de periode 2022 - 2025 ongeveer € 13,0 mln. af. In deze periode doen de grootste mutaties zich voor binnen de Voorziening riolering (+ € 4,9 mln.), de Voorziening nadelige complexen Grondbedrijf (-/- € 18,9 mln.) en de Voorziening groot onderhoud gemeentelijke gebouwen (+ € 1,1 mln.).

Ontwikkeling vrije reservemiddelen

In dit deel wordt een beeld gegeven van de stand en ontwikkeling van de vrije reservemiddelen. Concreet wordt ingegaan op de volgende reserves:
- Vrij inzetbaar
- Investeringsfonds 2030
- Reserve Enecogelden en
- Reserve Fonds Zoetermeer 2040

Vrij inzetbare reserve

Op de Vrij inzetbare reserve rust in principe geen concrete bestemming tot besteding van de daarin opgenomen middelen. Wel moet de omvang van deze reserve het financiële ’tegenwicht’ bieden voor het kunnen opvangen van de financiële risico’s. De Vrij inzetbare reserve vormt de weerstandscapaciteit van deze financiële risico’s (exclusief de risico’s van het grondbedrijf). In de volgende tabel is het verloop van de Vrij inzetbare reserve in beeld gebracht. In het overzicht is rekening gehouden met de mutaties uit het Tweede Tussenbericht 2021 en met het begrotingssaldo van deze programmabegroting.

Onder A zijn de raadsbesluiten met beroep op de Vrij inzetbare reserve opgenomen, onder B de verwachtingen en onder C de voorstellen tot aanpassing van de reserve bij de Programmabegroting 2022.

De bedragen onder B1a-c betreffen bedragen waarover bij eerdere begrotingen of vorstellen besluitvorming heeft plaatsgevonden waarvoor een reservering in de reserve is opgenomen.

Onder B1 is het verwacht begrotingssaldo 2021 naar de situatie van het Tweede Tussenbericht opgenomen. In de Perspectiefnota 2022 werd nog een negatief saldo verwacht van € 4,909 mln. In het Tweede Tussenbericht is dat bedrag omgeslagen naar een voordeel van ruim € 0,7 mln.

Het onder B2a opgenomen bedrag van € 1,037 mln. positief betreft het bedrag van het financieel perspectief. Ook dat bedrag is veel beter dan eerder in het voorjaar in de Perspectiefnota opgenomen.

Onder C1 zijn de mutaties als gevolg van amendement 2106-V zichtbaar gemaakt: onder post B1c is een reservering opgenomen voor onvermijdelijke meerkosten van corona. Kosten die niet of onvoldoende door het rijk worden vergoed. Deze reservering van € 3,544 mln. wordt met een bedrag van € 1 mln. verlaagd. Die verlaging wordt in 2022 ingezet als dekking voor de kosten die gemoeid zijn met in het voorjaarsdebat 2021 aangenomen moties. Een overzicht van die moties is opgenomen in tabel 3 Afwijkingen bestaand beleid. De dekking voor deze moties is zichtbaar in de opgenomen aanwending van de reserve in 2022 voor een bedrag van € 1 mln. De aanwending van de reserve vormt een inkomstenraming in de begroting op programma OAD.

De hiervoor aangehaalde verbeteringen in de begrotingssaldi 2021 en 2022 leiden ertoe, dat de omvang van de reserve vrij inzetbaar hoger wordt dan voor de onderkende risico’s noodzakelijk is. Er is ruimte om de in eerdere jaren opgenomen aanvullingen van de reserve vrij inzetbaar ten laste van de Eneco gelden deels terug te draaien.

Onder B2b is het eerder verwachte beroep op de Reserve Eneco opgenomen ter afdekking van in het voorjaar verwachte begrotingstekorten 2021 en 2022. Met de nu verwachte begrotingssaldi voor 2021 en 2022 is de aanvulling van de reserve vrij inzetbaar vanuit de reserve Eneco gelden voor een lager bedrag mogelijk dan eerder voorzien. De reservering van € 6,4 mln. als bijdrage uit Eneco is niet langer nodig (post C2a). En gelet op de omvang van de weerstandscapaciteit wordt daarnaast voorgesteld om een bedrag van € 6,1 mln. aan de reserve Eneco terug te storten (post C2b).

Per saldo verbetert daarmee het bedrag van te besteden Eneco middelen van ruim € 60 mln. naar € 72,5 mln. Met dit voorstel wordt inhoud gegeven aan de melding in het raadsmemo Meicirculaire 2021 om de relatie tussen de reserve vrij inzetbaar en de reserve Enecogelden in de Programmabegroting 2022 te betrekken.

Reserve investeringsfonds 2030

Bij de vaststelling van de Stadsvisie 2030 is besloten tot het opstellen van een inhoudelijke investeringsagenda en om daarvoor een investeringsfonds in het leven te roepen: Investeringsfonds 2030 (Rif). In dit onderdeel worden de spelregels tot voeding en aanwending van de reserve geschetst. Daarna wordt de stand van zaken van het verwachte verloop van het fonds toegelicht inclusief een aantal voorstellen tot aanwending van de reserve.

Voeding en onttrekking investeringsfonds
In het raadsbesluit 090501 van december 2009 is de voeding en onttrekking van de reserve geregeld. De voeding van het fonds vindt in hoofdzaak plaats door de afdrachten van de winst van het grondbedrijf. Daarnaast worden subsidieontvangsten, die een aantoonbare relatie hebben met de opgaven van de Stadsvisie gestort in deze reserve en vindt tot en met 2023 ten laste van de exploitatie een jaarlijkse storting plaats van € 350.000. Uit een eventueel positief jaarrekeningresultaat wordt bij bestemming van dat resultaat maximaal 50% aan de reserve afgedragen. Tenslotte worden de extra inkomsten uit OZB en algemene uitkering voor zover die worden veroorzaakt door de groei van woningen/inwoners voor maximaal 50% gestort in de reserve. Zodat de reserve voor dekking van eenmalige kosten van bijvoorbeeld aanleg/uitbreiding openbaar gebied, die ten grondslag liggen aan de groei van de stad, kan worden ingezet.

De bestemming van de middelen in de Rif wordt jaarlijks bepaald bij de begrotingsbehandeling op basis van voorstellen in de begrotingsstukken. Door vaststelling van de begroting worden middelen in de reserve voor een bepaald project gereserveerd. Op basis van een concreet en uitgewerkt voorstel en raadsbesluit wordt het budget feitelijk beschikbaar gesteld met dekking uit de Rif.

Verloop van de reserve
In de tabel komt het financieel verloop van de stand van de Rif tot uitdrukking rekening houdend met:
- een actualisatie van de verwachte winstafdrachten van het grondbedrijf op basis van de gegevens uit het Eerste en Tweede Tussenbericht;
- een actualisatie van de hoogte van reserveringen voor voorgenomen projecten waartoe eerder is besloten en
- nieuwe voorstellen waarvoor een aanwending (of vrijval) uit de reserve wordt gedaan.

Op basis van de actualisatie en nieuwe voorstellen vertoont de reserve in alle jaren een positief saldo. Wanneer de winstafdrachten grondbedrijf overeenkomstig de huidige inschatting in latere jaren ook werkelijk worden gerealiseerd en de verwachte winstafdracht uit de GR Hoefweg plaatsvindt, biedt de reserve op de langere termijn nog een bestedingsruimte van € 46,3 mln. Als er geen rekening wordt gehouden met de verwachte winstafdrachten is er een bestedingsruimte van € 18,2 mln.

A. is de beginstand van de reserve per 1 januari van het lopende jaar. Daarin zijn alle mutaties van het jaar 2020 verwerkt inclusief de resultaatbestemming, waarover in de Perspectiefnota 2022 besloten is.

Onder A1 staan eerder genomen raadsbesluiten met beroep op de Reserve investeringsfonds 2030. Onder A2 staan reserveringen vanuit eerdere besluitvorming. Voor de aanwending van deze bedragen zullen raadsvoorstellen worden gedaan. De schaalsprongbudgetten zijn apart opgenomen.

Onder B2 zijn de voorstellen tot beleidsintensivering uit de het Voorjaarsdebat 2021/Programmabegroting 2022 opgenomen waar dekking uit de Rif tegenover staat.

In het verloop van het saldo Rif is rekening gehouden met de verwachte afdrachten uit de grondexploitaties. De feitelijke aanwending van deze bedragen is pas mogelijk, nadat deze positieve resultaten in de jaarrekening ook daadwerkelijk zijn gerealiseerd. De verwachte afdrachten vanaf 2021 staan onder C1.

De positieve resultaten van de grondexploitaties worden voor de helft rechtstreeks toegevoegd aan de Reserve investeringsfonds. Het betreft 50% van de gerealiseerde winst. De andere helft wordt toegevoegd aan de Reserve versterking financiële positie Grondbedrijf. Deze reserve vormt samen met de Reserve in verband met risico’s grondbedrijf de weerstandscapaciteit van het Grondbedrijf. De weerstandscapaciteit is de financiële buffer om onverwachte, niet begrote kosten te kunnen dekken. Als de reserves Grondbedrijf samen meer dan 1,2 x de omvang van berekende risico’s bevatten, is er voldoende weerstandscapaciteit en wordt het meerdere afgeroomd en toegevoegd aan de Reserve investeringsfonds. Het huidige saldo in de reserves van de grondexploitaties zit aan het hiervoor aangegeven plafond van 1,2 keer de berekende risico’s. Het gevolg daarvan is dat de positieve resultaten van de grondexploitaties de komende jaren volledig aan de Rif toevloeien als de risico’s gelijk blijven.

Onder C2 staat de verwachte winstafdracht uit de deelneming in de GR Hoefweg. Die verwachte winst is eveneens bestemd om aan de Rif te worden afgedragen.

Reserve Enecogelden/Reserve Fonds Zoetermeer 2040

Financiële stand van zaken
In de Perspectiefnota 2022 (pagina 81) is een beeld geschetst van het verloop van de Reserve Enecogelden. Deze reserve is gevoed met de opbrengst van de verkoop van de aandelen Eneco. De reserve is aangesproken voor kosten als gevolg van corona en het plan Stichting Stedelijk Voortgezet Onderwijs Zoetermeer. Daarnaast is de reserve aangewend om tijdelijke begrotingstekorten af te dekken.

Naar de stand van het voorjaar 2021 bedroeg de reserve een stand van € 60,735 mln. In de raadsvergadering van juli 2021 is van dat bedrag € 60 mln. gestort in de nieuw ingestelde reserve Fonds Zoermeer 2040. Zoals aangegeven bij de reserve vrij inzetbaar kan het beroep op de reserve Enecogelden voor het afdekken van tijdelijke begrotingstekorten worden verlaagd met een bedrag van € 12,5 mln. Daardoor neemt het (restant) bedrag van de reserve Enecogelden toe van € 0,735 mln. naar € 13,235 mln. Voorgesteld wordt om dat saldo van de Reserve Enecogelden in zijn geheel te storten in de reserve Fonds Zoetermeer 2040 en de bestemmingsreserve Enecogelden in 2022 op te heffen. Bijlage 14 geeft een overzicht van het verloop van de Reserve Enecogelden.  

Inhoudelijk stand van zaken Fonds 2040
Het college heeft voorstellen in voorbereiding die inhoudelijk bijdragen aan het verminderen of verhelpen van de vraagstukken rond de Omgevingsvisie Zoetermeer 2040 en de daarin onderkende mechanismen. De raad heeft in juli 2021 ingestemd met het afwegingskader, dat het college zal inzetten in de onderbouwing en weging van haar voorstellen. De in voorbereiding zijnde voorstellen richten zich op vooral op onderwerpen die in de ogen van het college urgent zijn en waarvan de besluitvorming (en vervolgens start uitvoering) niet kan wachten op de uitkomsten van het proces van de komende gemeenteraadsverkiezingen en daarop volgende collegevorming. Vanzelfsprekend is het aan de raad om zich, naast haar inhoudelijk oordeel over een voorstel, uit te spreken over de afweging wat betreft de urgentie.

Het college verwacht voor het eind van het jaar 2021 een beperkt aantal voorstellen aan te bieden gericht op een behandeling in de commissies en gemeenteraad van januari 2022. De kosten die met de voorstellen samenhangen zijn nog niet exact te duiden. Voorgesteld wordt om hiervoor in de Programmabegroting 2022 in de reserve Fonds Zoetermeer 2040 een reservering van € 15 mln. op te nemen. Bij de behandeling van de voorstellen zelf kan worden overwogen en besloten welk deel van het gereserveerde bedrag feitelijk noodzakelijk is. Het bedrag van € 15 mln. geeft ook aan dat het nadrukkelijk de inzet van het college is om de toewijzing van het grootste deel van de beschikbare middelen (van inmiddels ruim € 72 mln.) over te laten aan de nieuwe gemeenteraad.

EMU-saldo

Het EMU-saldo geeft de geldstromen per jaar weer. Het EMU-saldo wordt berekend op basis van de mutaties in de geprognosticeerde balans. Het EMU-saldo is het jaarlijkse saldo van de lasten en de baten op basis van reële transacties, ongeacht of het exploitatie- of investeringsuitgaven en -inkomsten betreft.

Per 1 januari 2019 is de regeling ‘Vaststelling gelijkwaardige inspanning decentrale overheden inzake het EMU-saldo’ voor de jaren 2019 tot en met 2022 in werking getreden. Het ministerie van BZK publiceert referentiewaarden Voor gemeenten gezamenlijk is het aandeel -/- 0,4% van het Bruto Binnenlands Product (BBP). Voor Zoetermeer is de referentiewaarde 14.965. Het EMU-saldo mag in principe niet lager zijn.

Bijlage 7 bevat een overzicht van (de berekening van) het EMU-saldo.